Kan de landbouwer zijn financiële verplichtingen nakomen en kan het bedrijf tevens voorzien in een leefbaar inkomen voor de landbouwer en zijn gezin? De portemonnee van de landbouwer staat hier centraal: wat voor geldstromen gaan er in en uit? Er zijn drie indicatoren die hier iets meer over vertellen.
Lees meer

Op deze pagina wordt het landbouwinkomen bekeken vanuit een financieel perspectief. Het richt zich op de vraag of de landbouwer zijn financiële verplichtingen kan nakomen én het bedrijf tevens kan voorzien in een leefbaar inkomen voor de landbouwer en zijn gezin. Dit deel kijkt met andere woorden naar de gegenereerde liquiditeiten ofwel de portemonnee van de landbouwer: wat gaat er in en uit? 

Voor meer informatie en voor de definities van de gehanteerde inkomensindicatoren verwijzen we naar de methodologiepagina rond inkomensindicatoren. De resultaten zijn afkomstig van een 600-tal land- en tuinbouwbedrijven die deel uitmaken van het Landbouwmonitoringsnetwerk (LMN) dat wordt beheerd door het Departement Landbouw en Visserij van de Vlaamse overheid. 

De indicator presenteert de resultaten voor de gespecialiseerde melkveebedrijven. De resultaten zijn geëxtrapoleerd naar de totale Vlaamse melkveehouderij, zodat ze representatief zijn voor de beroepsmatige Vlaamse melkveehouderij.

1    FINANCIËLE INKOMENSINDICATOREN, IN EURO PER BEDRIJF

Onderstaande figuur geeft voor de periode 2012-2020 een overzicht van de cashflow voor financieringslast , de cashflow na financieringslast en de beschikbare middelen voor de gespecialiseerde melkveebedrijven. De resultaten zijn uitgedrukt in euro per bedrijf, waardoor naast de rendabiliteit van de bedrijven de bedrijfsgrootte een belangrijke rol speelt in de grootte van de indicator.

De cashflow voor financieringslast voor de melkveehouderij schommelt over de periode 2012 en 2020 van minimaal 89.300 euro in 2015 tot maximaal 142.600 euro per bedrijf in 2017.

De cashflow na financieringslast toont een gelijkaardig patroon. Voor de melkveehouderij schommelt deze over de periode 2012 en 2020 van minimaal 42.300 euro in 2016 tot maximaal 92.600 euro per bedrijf in 2017. Het verschil tussen de cashflow voor en na financieringslast wordt bepaald door de financieringslasten. Deze liggen in de periode 2012-2020 voor de melkveebedrijven tussen de 40.400 en 52.300 euro per bedrijf. Met name bij de tuinbouwbedrijven zien we, gemiddeld genomen, zwaardere financieringslasten en dus – in absolute termen -  de grootste verschillen tussen de cashflow voor en na financieringslast.

Uit de cashflow na financieringslast moet blijken of een normale bedrijfsvoering voldoende cash kan genereren om belastingen en bijdragen voor de sociale zekerheid te betalen én om een leefbaar inkomen over te houden voor de gezinsbestedingen. Het geeft eveneens een indicatie of er daarnaast marge is voor nieuwe investeringen en/of nieuwe leningen.

Een derde indicator zijn de beschikbare middelen, die buitengewone ontvangsten en uitgaven en nieuwe leningen en investeringen meeneemt. Voor de melkveehouderij liggen de beschikbare middelen over de periode 2012-2020 tussen de 24.600 en 82.300 euro per bedrijf. Met deze indicator dient voorzichtig te worden omgesprongen bij het vergelijken van bedrijven. Van jaar tot jaar en naargelang investeringsbeslissingen al dan niet met eigen middelen gefinancierd worden, kan het saldo beschikbare middelen tussen bedrijven sterk variëren. 

2    FINANCIËLE INKOMENSINDICATOREN, IN EURO PER FAK

Bovengenoemde resultaten zijn uitgedrukt in euro per bedrijf. Voor de beoordeling of met die cashflow het bedrijf de financiële verplichtingen kan nakomen en of die een levensvatbaar inkomen oplevert, is het echter van belang ook het aantal familiale arbeidskrachten (FAK) mee te nemen in het verhaal. Het maakt een groot verschil uit of één of meer dan één persoon een inkomen moet halen uit die cashflow, bijvoorbeeld in het geval van samenuitbating. De vraag is eveneens of de cashflow dient als enige inkomen voor het hele gezin of dat er naast het inkomen uit het bedrijf nog een aanvullend inkomen is door buitenshuis te werken. Dit is hier niet meegenomen.

De financiële inkomensindicatoren uitgedrukt per FAK vertonen hetzelfde patroon als de resultaten in euro per bedrijf. De cashflow voor financieringslast per FAK voor de melkveehouderij schommelt van minimaal 47.000 euro in 2016 tot maximaal 75.300 euro per FAK in 2017.

Voor de melkveehouderij schommelt de cashflow na financieringslast per FAK van minimaal 22.300 euro in 2016 tot maximaal 48.900 euro per FAK in 2017. Bij de tuinbouw – waar de aflossing van leningen groter is – zien we, in absolute termen, de grootste verschillen in cashflow voor en na financieringslast per FAK.

De beschikbare middelen per FAK tonen aan hoeveel er, na het in rekening brengen van buitengewone ontvangsten en uitgaven en nieuwe leningen en investeringen, per familiale arbeidskracht overblijft om belastingen en sociale bijdragen te betalen en voor de gezinsbestedingen. Voor de gespecialiseerde melkveebedrijven schommelen de beschikbare middelen per FAK tussen de 12.700 euro 43.500 euro per FAK. Zoals eerder al benoemd kan het saldo beschikbare middelen, van jaar tot jaar en naargelang investeringsbeslissingen al dan niet met eigen middelen gefinancierd worden, sterk variëren. Daardoor tonen de beschikbare middelen ook een andere evolutie dan de cashflow voor en na financieringslast.

In het Landbouwmonitoringsnetwerk is geen informatie beschikbaar over de hoeveelheid liquide middelen op het bedrijf (de reserves) en ontvangsten en/of uitgaven buiten de landbouw. Er is evenmin zicht op de omvang van de belastingen en de gezinsbestedingen. Het is daardoor niet duidelijk of er vanuit de bedrijfsactiviteiten van dat jaar een toename of afname is van de liquiditeiten van het bedrijf. 

Tot slot geldt dat er – voor alle inkomensindicatoren – grote verschillen zijn tussen de bedrijven. Bovenstaande figuren geven gemiddeldes weer voor de melkveehouderij, waardoor de verschillen tussen de individuele bedrijven niet zichtbaar zijn. Voor alle sectoren en ook in ‘slechte’ jaren is er altijd een bepaald percentage bedrijven dat een voldoende cashflow genereert om te voldoen aan de financiële verplichtingen en een voldoende leefbaar inkomen haalt. Andersom geldt hetzelfde: ook in ‘goede’ jaren zijn er bedrijven die een negatieve cashflow realiseren. De bedrijfseconomische inkomensindicatoren tonen een identiek patroon.