De bedrijfseconomische indicatoren geven aan wat de vergoeding is voor de ingezette productiefactoren. Afhankelijk van de indicator – en dus van de productiefactoren die onder de loep worden genomen – worden verschillende kosten in rekening gebracht.

Binnen de melkveehouderij nemen in 2020 de nonfactorkosten met bijna 244.600 euro het grootste deel van de totale kosten in. De factorkosten liggen met 121.800 euro een stuk lager.

Deze pagina bouwt verder op het landbouwinkomen bekeken vanuit de bedrijfseconomische invalshoek en gaat meer specifiek in op hoe de opbrengsten en de nonfactorkosten en factorkosten zich ten opzichte van elkaar weerhouden en hoe ze zijn opgebouwd. Dit heeft uiteraard een impact op de bedrijfseconomische inkomensindicatoren, waardoor deze én de opbouw van de kosten niet los van elkaar kunnen worden gezien.

De bedrijfseconomische indicatoren geven aan wat de vergoeding is voor de ingezette productiefactoren. Afhankelijk van de indicator – en dus van de productiefactoren die onder de loep worden genomen – worden verschillende kosten in rekening gebracht.

Voor meer informatie en voor de definities van de gehanteerde inkomensindicatoren verwijzen we naar de methodologiepagina rond inkomensindicatoren. De resultaten zijn afkomstig van een 600-tal land- en tuinbouwbedrijven die deel uitmaken van het Landbouwmonitoringsnetwerk (LMN) dat wordt beheerd door het Departement Landbouw en Visserij van de Vlaamse overheid. 

Hoewel de resultaten op deze pagina op bedrijfsniveau zijn, verwijzen we voor de gebruikte methodes en definities voor de resultaten uit het LMN tevens naar de methodologiepagina en het bijhorende methodologiedocument. Hier wordt gesproken over de resultaten op bedrijfstakniveau, maar in de opbouw van de rekening kan informatie gevonden worden over, bijvoorbeeld, de berekening van fictieve intrest of wat er wordt verstaan onder, bijvoorbeeld, ‘kosten gronden en gebouwen’.

Onderstaande resultaten betreffen de gespecialiseerde melkveebedrijven. De resultaten zijn geëxtrapoleerd naar de totale Vlaamse melkveehouderij, zodat ze representatief zijn voor de beroepsmatige Vlaamse melkveehouderij.

1 Nonfactorkosten versus factorkosten

In wat volgt ligt de focus op het onderscheid tussen de nonfactorkosten en de factorkosten. De nonfactorkosten staan los van de inzet van de productiefactoren en bestaan o.a. uit alle variabele kosten, de vaste betaalde nonfactorkosten (kosten gronden, gebouwen en werktuigen alsook de overige vaste kosten) en de afschrijvingen. De factorkosten, daarentegen, houden verband met de productiefactoren: grond, bedrijfskapitaal en arbeid. De factorkosten kunnen zowel betaalde factorkosten zijn voor extern aangewende productiefactoren (betaalde pacht, betaalde rente en betaalde lonen) als aangerekende factorkosten voor de inzet van eigen (interne) productiefactoren (fictieve pacht, fictieve rente en eigen arbeid). 

Afhankelijk van de bedrijfseconomische inkomensindicator – en dus van de productiefactoren die onder de loep worden genomen – worden verschillende kosten in rekening gebracht.

Hieronder wordt de opbouw van het inkomen (in dit geval het netto bedrijfsresultaat) getoond. De lijn in de figuur duidt tevens het bedrijfsinkomen aan.

* Aangezien de nonfactorkosten en factorkosten kosten vertegenwoordigen, zijn ze uitgedrukt als een negatief bedrag.

In de bespreking ligt de focus op het meest recente boekjaar, nl. 2020. De gespecialiseerde melkveebedrijven behaalden een totale opbrengst (incl. premies) van ruim 342.700 euro per bedrijf. Hiervan dienen alle kosten, zowel betaald als aangerekend, te worden voldaan. Afhankelijk van de in rekening gebrachte kosten, wordt een andere bedrijfseconomische inkomensindicator berekend.

Eerst worden de nonfactorkosten in rekening gebracht. Deze staan los van de inzet van de productiefactoren. Voor de melkveehouderij komen deze neer op bijna 244.600 euro per bedrijf. Meer info over de opbouw ervan, volgt hierna.

De nonfactorkosten nemen het grootste aandeel in van de totale kosten. Als de nonfactorkosten in mindering worden gebracht van de totale opbrengsten (incl. premies), levert dit het factorinkomen op. Dit is de vergoeding voor alle ingezette productiefactoren, grond, bedrijfskapitaal en arbeid, en dit ongeacht of die extern of eigen zijn aan het bedrijf.

De andere kosten houden verband met de productiefactoren: grond, bedrijfskapitaal en arbeid. Deze kosten worden ‘factorkosten’ genoemd. Voor de gespecialiseerde melkveehouderij komen deze in 2020 neer op 121.800 euro per bedrijf.

De factorkosten kunnen zowel betaalde factorkosten zijn voor extern aangewende productiefactoren (betaalde pacht, betaalde rente en betaalde lonen) als aangerekende factorkosten voor de inzet van eigen (interne) productiefactoren (fictieve pacht, fictieve rente en eigen arbeid). In 2020 bedragen de betaalde factorkosten voor de melkveehouderij ruim 21.900 euro per bedrijf; tegenover bijna 99.900 euro per bedrijf voor de aangerekende factorkosten. Hoewel de betaalde factorkosten van dezelfde orde zijn als bij de akkerbouw, liggen de aangerekende factorkosten voor de melkveehouderij ruim dubbel zo hoog.

Het factorinkomen (zijnde het verschil tussen de totale opbrengsten en de nonfactorkosten), minus de betaalde factorkosten resulteert in het bedrijfsinkomen . Omdat enkel de betaalde factorkosten in rekening worden gebracht, loopt de aanduiding van het bedrijfsinkomen op de figuur doorheen de balk van de (betaalde + aangerekende) factorkosten.

Het bedrijfsinkomen van de gespecialiseerde melkveebedrijven bedraagt in 2020 bijna 76.200 euro per bedrijf. Dit is de vergoeding voor de inzet van de eigen productiefactoren. Er worden dus geen aangerekende kosten voor de productiefactoren (fictieve pacht, fictieve rente, vergoeding eigen arbeid) in rekening gebracht.

Als vervolgens ook een deel (fictieve pacht en fictieve rente) of alle aangerekende factorkosten (dus incl. de vergoeding eigen arbeid) in rekening worden gebracht, levert dit respectievelijk het familiaal arbeidsinkomen (FAI) en het netto bedrijfsresultaat (NBR) op. Het netto bedrijfsresultaat van de gespecialiseerde melkveebedrijven in 2020 komt neer op ruim -23.600 euro per bedrijf. Een negatief NBR betekent dat de melkveehouders niet alle productiefactoren konden vergoeden én dat er geen ruimte resteert voor een vergoeding voor het ondernemerschap (winst).

2 Opbouw van de kosten

Onderstaande figuur gaat verder in op de opbouw van de nonfactorkosten en de factorkosten voor het geselecteerde boekjaar. Middels de ‘zoomslider’ kan het detail van de figuur aangepast worden: van de opbouw van de nonfactorkosten en factorkosten in “niveau 1”, tot een onderverdeling van de opbouw van de betaalde en aangerekende factorkosten in “niveau 2”. Dat is het diepste detail.

* Aangezien de nonfactorkosten en factorkosten kosten vertegenwoordigen, zijn ze uitgedrukt als een negatief bedrag.

In de bespreking ligt de focus op het meest recente boekjaar, nl. 2020. De nonfactorkosten voor de gespecialiseerde melkveebedrijven komen neer op bijna 244.600 euro per bedrijf. De variabele kosten nemen hiervan met 173.600 euro per bedrijf het grootste aandeel in. De afschrijvingen (43.600 euro) en vaste betaalde nonfactorkosten (27.300 euro per bedrijf) liggen op een aanzienlijk lager niveau.

De factorkosten bedragen in 2020 ruim 121.800 euro per bedrijf. Niveau 2 in de figuur toont aan dat de betaalde factorkosten hiervan bijna 22.000 euro per bedrijf innemen, tegenover bijna 99.900 euro per bedrijf voor de aangerekende factorkosten. Van de betaalde factorkosten neemt de betaalde pacht (incl. seizoenspacht) met 14.000 euro duidelijk het grootste aandeel in. De betaalde rente en betaalde lonen (incl. seizoenslonen) volgen op afstand met, respectievelijk, 6.200 euro en 1.700 euro per bedrijf.

Bij de aangerekende factorkosten valt op dat de vergoeding voor de eigen arbeid het grootste deel inneemt (ruim 84.500 euro). De fictieve intrest volgt met 11.000 euro en de fictieve pacht met 4.300 euro per bedrijf. Hoewel de betaalde factorkosten van dezelfde orde zijn als bij de akkerbouw, liggen de aangerekende factorkosten voor de melkveehouderij ruim dubbel zo hoog. Dit is met name te verklaren door een verschil in de vergoeding voor de eigen arbeid. Dit is een gevolg van én een lager aantal FAK én een lager aantal gewerkte uren per FAK in de akkerbouw dan in de melkveehouderij.

Aan de aangerekende factorkosten wordt, volgens bedrijfseconomische principes, een ‘voldoende en marktconforme’ vergoeding toegekend: een fictieve pacht over de grond in eigendom die gelijk is aan een gangbare langdurige pacht, een fictieve rente van 3% voor het eigen bedrijfskapitaal en een uurloon voor de bedrijfsleider en meewerkende gezinsleden volgens het Nationaal Paritair Comité voor de land- en tuinbouw, verhoogd met de sociale lasten. Meer informatie over definities en berekeningswijzen is terug te vinden in het methodologisch achtergronddocument voor de resultaten op basis van het Landbouwmonitoringsnetwerk (zie hiervoor de methodologiepagina en het bijhorende methodologiedocument).