Na extrapolatie van de kengetallen uit het Landbouwmonitoringsnetwerk (LMN) met de arealen uit de verzamelaanvraag bedraagt het geschatte kunstmestgebruik door de Vlaamse land- en tuinbouw in 2024 62,5 miljoen kg stikstof (N). De kunstmestprijzen zijn na de piek in 2022 wel aanzienlijk gezakt, maar liggen nog altijd hoger dan vóór de energiecrisis. Het grootste deel van de stikstofbemesting wordt toegediend op grasland en grasklaver (49%). Deze teelten beslaan ook het grootste areaal (37%). Graangewassen nemen 15% van het kunstmestgebruik voor hun rekening. Hoewel hun areaal met 8% veel kleiner is, ligt het gemiddelde stikstofgebruik per hectare hoger. Bovendien is het toedienen van dierlijke mest op graan niet altijd mogelijk, waardoor er vaker naar kunstmest wordt gegrepen.

Planten hebben nutriënten nodig om te groeien. Stikstof (N) is daarbij een van de belangrijkste elementen: het is een essentieel onderdeel van eiwitten en speelt een cruciale rol in de fotosynthese, de bladontwikkeling en de algemene groei van de plant. Voor een optimale ontwikkeling moeten planten dus over voldoende stikstof kunnen beschikken. Stikstof kan op verschillende manieren worden toegediend: via organische mest, kunstmest, of recent door het toepassen van N‑bindende bacteriën op de bladeren, die stikstof uit de lucht fixeren en beschikbaar maken voor de plant.

In januari 2026 werd RENURE (REcovered Nitrogen from manURE) door de EU goedgekeurd. RENURE-producten zijn kunstmestvervangers die worden gewonnen uit dierlijke mest, maar een lagere nitraatuitspoeling hebben dan klassieke dierlijke mest. De Vlaamse omzetting van deze regelgeving wordt nog dit voorjaar verwacht. De introductie van RENURE vermindert de afhankelijkheid van fossiele kunstmest en maakt het mogelijk om stikstof uit dierlijke meststromen efficiënter en met minder milieubelasting te benutten.

Het totale kunstmestgebruik wordt beïnvloed door meerdere factoren, waaronder de gewasbehoeften, het beschikbare areaal, de geldende wetgeving, de kostprijs, de weersomstandigheden, het bedrijfsmanagement en de kwaliteit van het bodemleven. Het Landbouwmonitoringsnetwerk (LMN) bevat gedetailleerd cijfermateriaal over het gebruik van stikstofkunstmest. In de volgende secties worden achtereenvolgens het gebruik, de kengetallen en het areaal besproken.

Gebruik

Het totale geschatte kunstmestgebruik door de Vlaamse land- en tuinbouw stijgt in 2024 ten opzichte van de twee voorgaande jaren naar 62,5 miljoen kg N.

De aanzienlijke afname van het N-kunstmestgebruik in de periode 2020-2022 is vooral te verklaren door de sterk gestegen kunstmestprijzen. Volgens het EU-meststoffenobservatorium nam de gemiddelde prijs per ton N-meststof toe van 200 euro in 2020 naar 386 euro in 2021 en zelfs 776 euro in 2022. In 2021 stegen de energieprijzen fors en de productie van kunstmest is zeer energie-intensief. Vanaf februari 2022 dreef de oorlog in Oekraïne de kosten verder op door een verminderde beschikbaarheid. Waar mogelijk werd de dure kunstmest vermoedelijk vervangen door dierlijke mest. Vanaf 2023 daalde de N-kunstmestprijs opnieuw naar 400 euro per ton en in 2024 verder naar 327 euro per ton.

Een relatief nieuw, maar duurder alternatief zijn de N‑bindende bacteriën, die stikstof uit de lucht fixeren op bladniveau. In 2022, het eerste jaar waarin het LMN deze toepassing registreerde, gaven 94 LMN‑deelnemers aan dat ze dergelijke bacteriën hadden gebruikt. In 2023 daalde dit aantal naar 84 en halveerde ook de gebruikte hoeveelheid. In 2024 nam het aantal gebruikers verder af tot 44, maar door de lagere prijs van het product steeg de totale gebruikte hoeveelheid opnieuw.

Ten opzichte van 2023 stijgt het N-kunstmestgebruik met 1%. Volgende gewasgroepen stijgen aanzienlijk: groenbedekkers (+56%), groenten openlucht (+30%), nijverheidsgewassen (21%) en groenten beschut (20%). De belangrijkste dalers zijn: graangewassen (-29%) en sierteelt openlucht (-27%). De graangewassen hebben een aanzienlijk aandeel in het gebruik en de sterke daling is te verklaren door een areaalafname met 34% (nat najaar 2023 en nat voorjaar 2024), terwijl de kengetallen licht stijgen.

In 2024 gaat de meeste N-kunstmest naar grasland en grasklaver (49%) en graangewassen (15%). Daarna volgen maïs (12%) en aardappelen (10%). De verhoudingen tussen de verschillende gewasgroepen blijven in de loop der tijd relatief stabiel. De verdeling van N over de gewassen verschilt duidelijk van die van fosfor en kalium, omdat de nutriëntenbehoeften per gewas sterk uiteenlopen.

In 2024 zijn melkvee (25%), akkerbouw (23%) en overige landbouw (23%) de grootste deelsectoren wat gebruik van N-kunstmest betreft. Dan volgt vleesvee (13%). Het aandeel van de deelsectoren is relatief stabiel over de jaren heen.

LMN-Kengetallen

De onderstaande tabel geeft het gemiddeld N-kunstmestgebruik weer van 15 LMN-gewasgroepen en het LMN-gemiddelde voor alle 29 gewasgroepen. Dat laatste stijgt in 2024 naar 84 kg N/ha. Het laagste gebruik was in 2022 met 72 kg N/ha. Het hoogste gebruik dateert van 2014 met 105 kg N/ha. De schommelingen in de tijd worden in belangrijke mate beïnvloed door de kunstmestprijs en in beperktere mate door de weersomstandigheden. De verschillen tussen gewassen zijn te verklaren door uiteenlopende nutriëntenbehoeften, de beoogde opbrengst en de (on)mogelijkheid om kunstmest te vervangen door dierlijke mest of — meer recent — door het gebruik van N‑bindende bacteriën.

In 2024 heeft de hoogproductieve beschutte tomatenteelt op water veruit de hoogste N-kunstmeststofgift (1610 kg N/ha). De andere gewassen komen aanzienlijk lager uit. Wintertarwe (169 kg N/ha) wordt iets zwaarder bemest dan wintergerst (137 kg N/ha). Bewaaraardappelen (114 kg N/ha) worden door de latere oogst meer bemest dan de vroege aardappelen (90 kg N/ha). Tussen korrel- en voedermaïs is er nauwelijks verschil (beide 46 kg N/ha). Bij de bieten ligt het gebruik lager voor voederbiet (66 kg N/ha) dan voor suikerbiet (75 kg N/ha). Grasland en grasklavers in hoofdteelt worden door de langere groeiduur meer bemest dan die in voorteelt (respectievelijk 120 en 83 kg N/ha). Grasklaver heeft als vlinderbloemige een natuurlijke symbiose met stikstofbindende bacteriën, waardoor de stikstofbehoefte lager ligt dan bij puur grasland. Omdat er boekhoudkundig geen onderscheid gemaakt kan worden tussen grasland en grasklaver, worden beide teelten samen gerapporteerd. Prei wordt minder bemest dan bloemkool (respectievelijk 117 en 129 kg N/ha). Appelen (53 kg N/ha) worden minder bemest dan peren (80 kg N/ha).

Areaal verzamelaanvraag

In 2024 bedraagt het unieke referentieareaal in hoofdteelt op basis van de verzamelaanvraag 595.431 hectare. Omdat er ook kunstmest wordt gebruikt op voor- en nateelten, worden de 145.908 hectare meegenomen. Het gaat om grasland in voorteelt (52.991 ha), groenbedekkers in nateelt (91.087 ha) en een beperkt aantal hectare groenten in openlucht in nateelt. Opgeteld komt het totale landbouwareaal zo uit op 741.339 hectare. In vergelijking met 2023 is dat een daling van 4%. Door de uitzonderlijk natte omstandigheden bleven meer percelen dan anders braak liggen. Van het totale areaal is 80% in gebruik als hoofdteelt.

In 2024 nemen volgende teelten het grootste aandeel in: grasland en grasklaver (37%, waarvan 30% in hoofdteelt), maïs (23%, waarvan 16% voedermaïs), groenbedekkers (12%), graangewassen (8%, waarvan 5% wintertarwe) en aardappelen (8%, waarvan 7% bewaaraardappelen).

De toename van het totale landbouwareaal in de periode 2011–2024 (+11%) is voornamelijk toe te schrijven aan de sterke groei van de groenbedekkers, waarvan het areaal sinds 2011 verdrievoudigd is. De grootste uitbreiding vond plaats in 2015, toen in het Mestactieplan (MAP 5) de verplichting werd ingevoerd om na de oogst van de hoofdteelt een vanggewas in te zaaien om nutriëntenuitspoeling te beperken. In 2019 kwamen daar via MAP 6 bijkomende maatregelen bij om het areaal vanggewassen jaarlijks verder te vergroten. Ondanks deze stimulansen daalt het areaal groenbedekkers inmiddels al twee jaar op rij. Ook andere teelten evolueerden sterk sinds 2011. Het areaal bewaaraardappelen nam toe met 58%. In de fruitsector schakelden veel telers over van appelen (-39%) naar peren (+27%). Daarnaast wordt er minder maïs geteeld (-6%). Ten opzichte van 2023 valt vooral de sterke daling in wintertarwe op (-43%), grotendeels het gevolg van de uitzonderlijk natte inzaaiomstandigheden.

De landbouwsector is sterk afhankelijk van gunstige weersomstandigheden. Door de aanhoudende regen vanaf het najaar van 2023 waren veel akkers te nat om tijdig wintergewassen zoals wintergranen in te zaaien. Wanneer de inzaai mislukte, moesten landbouwers noodgedwongen overschakelen op zomergewassen. Ook het voorjaar van 2024 verliep uitzonderlijk nat. Als gevolg daarvan bleef in 2024 meer land dan gebruikelijk braak liggen. Het braakareaal steeg van 628 hectare in 2022 naar 1.220 hectare in 2023 en 1.281 hectare in 2024. De uitzonderlijk natte omstandigheden leidden bovendien tot een grotere kans op uitspoeling van nutriënten (waarbij stikstof sneller uitspoelt dan fosfor of kalium) en een verhoogd risico op ziektes en plagen. Ze bemoeilijkten ook de oogstwerkzaamheden. Dat had in veel gevallen een lagere opbrengst tot gevolg.