Na extrapolatie van de kengetallen uit het Landbouwmonitoringsnetwerk (LMN) met de arealen uit de verzamelaanvraag bedraagt het geschatte kunstmestgebruik door de Vlaamse land- en tuinbouw in 2024 22,4 miljoen kg kalium (K). De kunstmestprijzen zijn na de piek in 2022 aanzienlijk gezakt, maar ze zijn nog wel beduidend hoger dan in 2020. De meeste K komt terecht op aardappelen (34%), maïs (17%) en grasland en grasklaver (14%). Grasland en grasklaver omvat het grootste areaal (37%). Het areaal aardappelen (8%) is veel kleiner, maar het gemiddelde K-kunstmestgebruik is hoger en het toedienen van dierlijke mest op aardappelen is niet altijd mogelijk.

Planten hebben nutriënten nodig om te kunnen groeien. Kalium (K) fungeert als activator voor tal van enzymen en metabole processen die essentieel zijn voor de groei en de voortplanting van de plant. Een tekort aan kalium maakt planten gevoeliger voor extreme omstandigheden (droogte, wateroverlast, hitte of koude) en verhoogt de vatbaarheid voor ziekten en plagen. Kalium bevordert de algemene vitaliteit van de plant en speelt een belangrijke rol in de kwaliteit van het uiteindelijke gewas, zoals smaak, kleur, geur en houdbaarheid. Voor een gezonde ontwikkeling is het dus cruciaal dat planten over voldoende kalium beschikken. Kalium kan worden aangevoerd via organische mest of via kunstmest die kaliumoxide (K₂O) bevat, de plantbeschikbare vorm van kalium.

Het totale kunstmestgebruik wordt beïnvloed door meerdere factoren, waaronder de gewasbehoeften, het beschikbare areaal, de geldende wetgeving, de kostprijs, de weersomstandigheden, het bedrijfsmanagement en de kwaliteit van het bodemleven. Het Landbouwmonitoringsnetwerk (LMN) bevat gedetailleerd cijfermateriaal over het gebruik van kaliumkunstmest. In de volgende secties worden achtereenvolgens het gebruik, de kengetallen en het areaal besproken.

Gebruik

Het totale geschatte kunstmestgebruik door de Vlaamse land- en tuinbouw stijgt in 2024 ten opzichte van de twee voorgaande jaren naar 22,4 miljoen kg K.

De aanzienlijke afname van het K-kunstmestgebruik in de periode 2020-2022 is vooral te verklaren door de sterk gestegen kunstmestprijzen. Volgens het EU-meststoffenobservatorium nam de gemiddelde prijs per ton K-meststof toe van 257 euro in 2020 naar 376 euro in 2021 en zelfs 785 euro in 2022. In 2021 stegen de energieprijzen fors en de productie van kunstmest is zeer energie-intensief. Vanaf februari 2022 dreef de oorlog in Oekraïne de kosten verder op door een verminderde beschikbaarheid. Waar mogelijk werd de dure kunstmest vermoedelijk vervangen door dierlijke mest. Vanaf 2023 daalde de K-kunstmestprijs opnieuw naar 537 euro per ton en in 2024 verder naar 358 euro per ton.

Ten opzichte van 2023 stijgt het K-kunstmestgebruik met 9%. Volgende gewasgroepen stijgen aanzienlijk: groenten beschut (+33%), groenten openlucht (+29%) en nijverheidsgewassen (+25%). De belangrijkste dalers zijn: overige voedergewassen (-72%), graangewassen (-35%) en fruitteelt beschut (-26%).

In 2024 komt de meeste K-kunstmest terecht op aardappelen (34%), maïs (17%), grasland en grasklaver (14%), groenten openlucht (11%), groenten beschut (9%) en bieten (6%). De verhoudingen tussen de verschillende gewasgroepen zijn relatief stabiel in de tijd. De verdeling van K over de gewasgroepen geeft een ander beeld dan die van stikstof en fosfor omdat de gewasbehoeften anders zijn.

In 2024 zijn akkerbouw (27%), overige landbouw (24%) en melkvee (16%) de grootste deelsectoren wat gebruik van K-kunstmest betreft. Dan volgen groenten onder glas (11%), vleesvee (6%) en varkens (5%). Het aandeel van de deelsectoren is relatief stabiel over de jaren heen.

LMN-Kengetallen

Onderstaande tabel geeft het gemiddeld K-kunstmestgebruik weer van 15 LMN-gewasgroepen en het LMN-gemiddelde voor alle 29 gewasgroepen. Dat laatste stijgt in 2024 naar 30 kg K/ha. Het hoogste gebruik was in 2020 met 32 kg K/ha. De schommelingen in de tijd worden beïnvloed door de kunstmestprijs en in beperkte mate door het weer. De verschillen tussen gewassen zijn te verklaren door het verschil in behoefte, de beoogde opbrengst en de (on)mogelijkheid om als alternatief dierlijke mest aan te wenden.

In 2024 heeft de hoogproductieve beschutte tomatenteelt op water de hoogste K-kunstmeststofgift (2380 kg K/ha). De andere gewassen komen veel lager uit. Wintertarwe (6 kg K/ha) wordt minder bemest dan wintergerst (11 kg K/ha). Voor aardappelen is de volgorde: bewaaraardappelen (141 kg K/ha) en vroege aardappelen (137 kg K/ha). Er is amper verschil tussen korrel- en voedermaïs (23 en 22 kg K/ha). Voederbieten krijgen minder kalium dan suikerbieten (47 en 56 kg K/ha). Grasland en grasklavers in hoofdteelt worden door de langere groeiduur meer bemest dan die in voorteelt (12 en 8 kg K/ha). Prei krijgt een lagere gift dan bloemkool (74 en 82 kg K/ha). Appelen (12 kg K/ha) krijgen drie maal minder kalium dan peren (33 kg K/ha).

Areaal verzamelaanvraag

In 2024 bedraagt het unieke referentieareaal in hoofdteelt op basis van de verzamelaanvraag 595.431 hectare. Omdat er ook kunstmest wordt gebruikt op voor- en nateelten, worden de 145.908 hectare meegenomen. Het gaat om grasland in voorteelt (52.991 ha), groenbedekkers in nateelt (91.087 ha) en een beperkt aantal hectare groenten in openlucht in nateelt. Opgeteld komt het totale landbouwareaal zo uit op 741.339 ha. In vergelijking met 2023 is dat een daling van 4%. Door de uitzonderlijk natte omstandigheden bleven meer percelen dan anders braak liggen. Van het totale areaal is 80% in gebruik als hoofdteelt.

In 2024 nemen volgende teelten het grootste aandeel in: grasland en grasklaver (37%, waarvan 30% in hoofdteelt), maïs (23%, waarvan 16% voedermaïs), groenbedekkers (12%), graangewassen (8%, waarvan 5% wintertarwe) en aardappelen (8%, waarvan 7% bewaaraardappelen).

De toename van het totale landbouwareaal in de periode 2011–2024 (+11%) is voornamelijk toe te schrijven aan de sterke groei van de groenbedekkers, waarvan het areaal sinds 2011 verdrievoudigd is. De grootste uitbreiding vond plaats in 2015, toen in het Mestactieplan (MAP 5) de verplichting werd ingevoerd om na de oogst van de hoofdteelt een vanggewas in te zaaien om nutriëntenuitspoeling te beperken. In 2019 kwamen daar via MAP 6 bijkomende maatregelen bij om het areaal vanggewassen jaarlijks verder te vergroten. Ondanks deze stimulansen daalt het areaal groenbedekkers inmiddels al twee jaar op rij. Ook andere teelten evolueerden sterk sinds 2011. Het areaal bewaaraardappelen nam toe met 58%. In de fruitsector schakelden veel telers over van appelen (-39%) naar peren (+27%). Daarnaast wordt er minder maïs geteeld (-6%). Ten opzichte van 2023 valt vooral de sterke daling in wintertarwe op (-43%), grotendeels het gevolg van de uitzonderlijk natte inzaaiomstandigheden.

De landbouwsector is sterk afhankelijk van gunstige weersomstandigheden. Door de aanhoudende regen vanaf het najaar van 2023 waren veel akkers te nat om tijdig wintergewassen zoals wintergranen in te zaaien. Wanneer de inzaai mislukte, moesten landbouwers noodgedwongen overschakelen op zomergewassen. Ook het voorjaar van 2024 verliep uitzonderlijk nat. Als gevolg daarvan bleef in 2024 meer land dan gebruikelijk braak liggen. Het braakareaal steeg van 628 hectare in 2022 naar 1.220 hectare in 2023 en 1.281 hectare in 2024. De uitzonderlijk natte omstandigheden leidden bovendien tot een grotere kans op uitspoeling van nutriënten (waarbij stikstof sneller uitspoelt dan fosfor of kalium) en een verhoogd risico op ziektes en plagen. Ze bemoeilijkten ook de oogstwerkzaamheden. Dat had in veel gevallen een lagere opbrengst tot gevolg.