Na extrapolatie van de kengetallen uit het Landbouwmonitoringsnetwerk (LMN) met de arealen uit de verzamelaanvraag bedraagt het geschatte kunstmestgebruik door de Vlaamse land- en tuinbouw in 2024 1,3 miljoen kg fosfor (P). De kunstmestprijzen zijn na de piek in 2022 weliswaar aanzienlijk gedaald, maar liggen nog altijd bijna dubbel zo hoog als in 2020. De meeste P komt terecht op groenten beschut (24%), maïs (20%), aardappelen (17%), grasland en grasklaver (10%) en fruitteelt openlucht (9%). Grasland en grasklaver omvat het grootste areaal (37%). Het areaal maïs (23%) is kleiner, maar het gemiddeld P-kunstmestgebruik is hoger en het toedienen van dierlijke mest op maïs is niet altijd mogelijk. Groenten beschut hebben ook een hogere fosforbehoefte.

Planten hebben nutriënten nodig om te kunnen groeien. Fosfor (P) is daarbij een essentieel element: het maakt deel uit van kerneiwitten en speelt een belangrijke rol in de energiehuishouding en ademhaling van de plant. Fosfor bevordert bovendien de ontwikkeling van het wortelstelsel, de bloei en de vorming van zaden. Voor een optimale groei is het dus noodzakelijk dat planten over voldoende fosfor beschikken. Fosfor kan worden aangevoerd via organische mest of kunstmest die fosfaat (P₂O₅) bevat, de plantbeschikbare vorm van fosfor.

Het totale kunstmestgebruik wordt beïnvloed door meerdere factoren, waaronder de gewasbehoeften, het beschikbare areaal, de geldende wetgeving, de kostprijs, de weersomstandigheden, het bedrijfsmanagement en de kwaliteit van het bodemleven. Het Landbouwmonitoringsnetwerk (LMN) beschikt over gedetailleerd cijfermateriaal over het gebruik van fosforkunstmest. In de volgende onderdelen worden achtereenvolgens het gebruik, de kengetallen en het areaal besproken.

Gebruik

Het totale geschatte kunstmestgebruik door de Vlaamse land- en tuinbouw stijgt in 2024 ten opzichte van de twee voorgaande jaren naar 1,3 miljoen kg P.

De aanzienlijke afname van het P-kunstmestgebruik in de periode 2020-2022 is vooral te verklaren door de sterk gestegen kunstmestprijzen. Volgens het EU-meststoffenobservatorium nam de gemiddelde prijs per ton P‑meststof toe van 310 euro in 2020 naar 566 euro in 2021 en zelfs 926 euro in 2022. In 2021 stegen de energieprijzen fors en de productie van kunstmest is zeer energie-intensief. Vanaf februari 2022 dreef de oorlog in Oekraïne de kosten verder op door een verminderde beschikbaarheid. Waar mogelijk werd de dure kunstmest vermoedelijk vervangen door dierlijke mest. Vanaf 2023 daalde de P-kunstmestprijs opnieuw naar 613 euro per ton en in 2024 verder naar 588 euro per ton.

Ten opzichte van 2023 stijgt het P-kunstmestgebruik met 12%. Volgende gewasgroepen stijgen aanzienlijk: graangewassen (+66%), nijverheidsgewassen (+53%), grasland en grasklaver (+43%) en fruitteelt openlucht (+37%). Bij de graangewassen wordt de areaalafname met 34% (nat najaar 2023 en nat voorjaar 2024) ruimschoots gecompenseerd door een sterke stijging van de kengetallen. De belangrijkste dalers zijn: sierteelt openlucht (-71%) en fruitteelt beschut (-25%).

In 2024 komt de meeste P-kunstmest terecht op groenten beschut (24%), maïs (20%), aardappelen (17%) en grasland en grasklaver (10%) De verhoudingen tussen de gewasgroepen zijn sterk veranderd in de tijd. In 2011 was de verdeling als volgt: maïs 34%, grasland en grasklaver 19%, groenten openlucht 11%, groenten beschut 9% en aardappelen 9%. De verdeling van P over de gewassen verschilt duidelijk van die van stikstof en kalium, omdat de nutriëntenbehoeften per gewas sterk uiteenlopen.

In 2024 zijn groenten onder glas (26%), akkerbouw (18%), overige landbouw (16%) en melkvee (13%) de grootste deelsectoren. Dan volgen fruit (8%) en vleesvee (6%). Het aandeel van de deelsectoren is niet zo stabiel over de jaren heen. In 2015 was de verdeling als volgt: overige landbouw (23%), melkvee (18%), akkerbouw (15%) en groenten onder glas (11%).

LMN-Kengetallen

Onderstaande tabel geeft het gemiddelde P-kunstmestgebruik weer van 15 LMN-gewasgroepen en het LMN-gemiddelde voor alle 29 gewasgroepen. Dat laatste stijgt in 2024 naar 1,7 kg P/ha. In 2022 was dat 1,3 kg P/ha. Het hoogste gebruik was in 2011 met 2,6 kg P/ha. De schommelingen in de tijd worden in belangrijke mate beïnvloed door de kunstmestprijs en in beperktere mate door de weersomstandigheden. De verschillen tussen gewassen zijn te verklaren door uiteenlopende nutriëntenbehoeften, de beoogde opbrengst en de (on)mogelijkheid om kunstmest te vervangen door dierlijke mest.

In 2024 heeft de hoogproductieve beschutte tomatenteelt op water veruit de hoogste P-kunstmeststofgift (330 kg P/ha). De andere gewassen komen aanzienlijk lager uit. Wintertarwe (0,4 kg P/ha) wordt meestal minder bemest dan wintergerst (0,8 kg P/ha). Bewaaraardappelen (4 kg P/ha) worden door de latere oogst meer bemest dan de vroege aardappelen (1,4 kg P/ha). Er is weinig verschil tussen korrel- en voedermaïs (1,4 en 1,6 kg P/ha) en tussen voeder- en suikerbiet (1,3 en 2 kg P/ha). Grasland en grasklavers hoofdteelt (0,6 kg P/ha) worden meestal door de langere groeiduur meer bemest dan die in voorteelt (0,06 kg P/ha). Prei krijgt normaal gezien een lagere gift dan bloemkool, maar in 2024 komt prei hoger uit (1,4 en 1,2 kg P/ha). Appelen (2,9 kg P/ha) worden meestal minder bemest dan peren (7,4 kg P/ha).

Areaal verzamelaanvraag

In 2024 bedraagt het unieke referentieareaal in hoofdteelt op basis van de verzamelaanvraag 595.431 hectare. Omdat er ook kunstmest wordt gebruikt op voor- en nateelten, worden de 145.908 hectare meegenomen. Het gaat om grasland in voorteelt (52.991 ha), groenbedekkers in nateelt (91.087 ha) en een beperkt aantal hectare groenten in openlucht in nateelt. Opgeteld komt het totale landbouwareaal zo uit op 741.339 hectare. In vergelijking met 2023 is dat een daling van 4%. Door de uitzonderlijk natte omstandigheden bleven meer percelen dan anders braak liggen. Van het totale areaal is 80% in gebruik als hoofdteelt.

In 2024 nemen volgende teelten het grootste aandeel in: grasland en grasklaver (37%, waarvan 30% in hoofdteelt), maïs (23%, waarvan 16% voedermaïs), groenbedekkers (12%), graangewassen (8%, waarvan 5% wintertarwe) en aardappelen (8%, waarvan 7% bewaaraardappelen).

De toename van het totale landbouwareaal in de periode 2011–2024 (+11%) is voornamelijk toe te schrijven aan de sterke groei van de groenbedekkers, waarvan het areaal sinds 2011 verdrievoudigd is. De grootste uitbreiding vond plaats in 2015, toen in het Mestactieplan (MAP 5) de verplichting werd ingevoerd om na de oogst van de hoofdteelt een vanggewas in te zaaien om nutriëntenuitspoeling te beperken. In 2019 kwamen daar via MAP 6 bijkomende maatregelen bij om het areaal vanggewassen jaarlijks verder te vergroten. Ondanks deze stimulansen daalt het areaal groenbedekkers inmiddels al twee jaar op rij. Ook andere teelten evolueerden sterk sinds 2011. Het areaal bewaaraardappelen nam toe met 58%. In de fruitsector schakelden veel telers over van appelen (-39%) naar peren (+27%). Daarnaast wordt er minder maïs geteeld (-6%). Ten opzichte van 2023 valt vooral de sterke daling in wintertarwe op (-43%), grotendeels het gevolg van de uitzonderlijk natte inzaaiomstandigheden.

De landbouwsector is sterk afhankelijk van gunstige weersomstandigheden. Door de aanhoudende regen vanaf het najaar van 2023 waren veel akkers te nat om tijdig wintergewassen zoals wintergranen in te zaaien. Wanneer de inzaai mislukte, moesten landbouwers noodgedwongen overschakelen op zomergewassen. Ook het voorjaar van 2024 verliep uitzonderlijk nat. Als gevolg daarvan bleef in 2024 meer land dan gebruikelijk braak liggen. Het braakareaal steeg van 628 hectare in 2022 naar 1.220 hectare in 2023 en 1.281 hectare in 2024. De uitzonderlijk natte omstandigheden leidden bovendien tot een grotere kans op uitspoeling van nutriënten (waarbij stikstof sneller uitspoelt dan fosfor of kalium) en een verhoogd risico op ziektes en plagen. Ze bemoeilijkten ook de oogstwerkzaamheden. Dat had in veel gevallen een lagere opbrengst tot gevolg.