Uit het Landbouwmonitoringsnetwerk (LMN) blijkt dat in 2024 er gemiddeld de meeste gewasbescherming terecht komt op peren (69 kg actieve stof per ha, waarvan 55% toegelaten in de biologische landbouw). Dan volgen appelen (42 kg actieve stof per ha, waarvan 37% toegelaten in de biologische landbouw), tomaten beschut (17 kg actieve stof per ha, waarvan 30% toegelaten in de biologische landbouw) en bewaaraardappelen (13 kg actieve stof per ha, waarvan 5% toegelaten in de biologische landbouw). De andere gewassen hebben een lager gemiddelde.

Landbouwers gebruiken gewasbeschermingsmiddelen om hun oogst veilig te stellen rekening houdend met de eisen van voedselveiligheid. Het gebruik is echter niet zonder risico’s voor de omgeving en de gezondheid van de mens en andere niet-doelorganismen, zeker bij een onoordeelkundig gebruik. De aangewende hoeveelheid gewasbescherming wordt beïnvloed door het teeltareaal, de wetgeving, de weersomstandigheden, technologie (gewasbeschermingsmiddelen en machines), kwaliteit van het bodemleven, management, enz. Zo verhogen warme en natte weersomstandigheden het risico op ziektes en plagen. Maar ook gewasstress door droogte, hitte, wind en andere extreme factoren leidt tot verzwakte planten die gevoeliger zijn voor aantastingen en opbrengstverlies.

Het Landbouwmonitoringsnetwerk (LMN) bevat cijfermateriaal over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Het totale gewasbeschermingsmiddelengebruik door de Vlaamse land- en tuinbouw wordt berekend via een extrapolatie van LMN naar Vlaamse landbouw. Hieronder worden de kengetallen per gewas besproken. Tot slot wordt nog een overzicht gegeven van het areaal in de Verzamelaanvraag, dat gebruikt werd bij de extrapolatie.

Voor het totaal gebruik, het gebruik per gewasgroep, per toepassingsgroep, opgedeeld volgens al dan niet toegelaten in de biologische landbouw, en het gebruik per deelsector kan je terecht bij de indicator Gewasbescherming: gebruik. Een bespreking van het risico op menselijke gezondheid en milieu wordt toegelicht in de indicator Gewasbescherming: risico.

LMN Kengetallen

Onderstaande figuur geeft het gewasbeschermingsgebruik per ha en jaar weer voor 15 gewasgroepen. De invloed van het weer is in deze kengetallen afgevlakt door een voortschrijdend gewogen gemiddelde te nemen over drie jaar. Hierbij worden de oppervlakten van de gewassen die niet behandeld zijn meegerekend. Aangezien de opdeling van de producten of ze al dan niet toegelaten zijn in de biologische landbouw pas beschikbaar is vanaf 2014, start de tijdsreeks vanaf 2014. Via de knop 'download data' onder de figuur kan u de data van alle gewassen in een keer downloaden. 

De natte weersomstandigheden in 2024 veroorzaakten een ongeziene slakkenplaag, zeker in de koolsoorten. Slakken worden behandeld met mollusciciden welke onder de groep andere gewasbeschermingsmiddelen vallen. Door de toegepaste methodologie van gewogen gemiddelde over drie jaar is dit evenwel niet duidelijk terug te vinden in de kengetallen van bijvoorbeeld bloemkool. 

Per ha wintertarwe wordt er gemiddeld 2,6 kg actieve stof gebruikt. Naast onkruidbestrijding worden er relatief veel fungiciden gebruikt tegen voet-, blad- en aarziekten. De bestrijding van de schimmel aarfusarium is belangrijk voor de voedselveiligheid. De toepassingsgroep andere omvat o.a. de groeiregulatoren om de stengelgroei af te remmen en het legeren of omvallen te beperken. Er worden weinig insecticiden gebruikt. Wintergerst heeft doorgaans maar één fungicidebehandeling nodig tegenover twee fungicidebehandelingen voor wintertarwe en komt daarom iets lager uit. Het aandeel van producten toegelaten in de biologische landbouw is beperkt. 

Op bewaaraardappelen wordt gemiddeld 14 kg actieve stof per ha toegediend, voornamelijk fungiciden tegen de bestrijding van de aardappelziekte (phytophthora) en lakschurft. Tot de herbiciden behoren ook de loofdodingsmiddelen. Bladluizen en coloradokevers zijn de belangrijkste insectenvijanden voor de aardappel. De categorie andere omvat voornamelijk kiemremmers. Het aandeel van producten toegelaten in de biologische landbouw is sinds het verbod van kiemremmer chloorprofam in 2020 gestegen naar 5% in 2024. Het gebruik op vroege aardappelen (oogst vóór 1 augustus) is lager (9 kg AS/ha) omdat zij in totaal minder lang op het veld staan en er dus minder bespuitingen per jaar nodig zijn. 

Voor maïs schommelt het kengetal tussen de 1,3 en de 1,4 kg actieve stof per ha.

Voor suikerbiet komt het gewogen gemiddelde op 7 kg actieve stof per ha, waarvan 5 kg actieve stof per ha herbiciden. De gebruikte fungiciden zijn voornamelijk tegen de volgende bladschimmelziekten: witziekte, cercospora, ramularia en roest. Het gebruik van gewasbescherming bij voederbiet (6 kg AS/ha) ligt iets lager dan bij suikerbiet. Vanaf 2023 worden er in bieten meer producten toegelaten in de biologische landbouw gebruikt. In 2024 stijgt het aandeel naar 13% voor suikerbiet en 9% voor voederbiet.

Grasland en grasklavers hoofdteelt komt op 0,2 en grasland voorteelt op 0,03 kg actieve stof per ha. Deze gewassen worden voornamelijk behandeld met herbiciden. Het aandeel van gebruikte producten toegelaten in de biologische landbouw is nog beperkt. 

Voor prei in openlucht komt het gebruik op 8 kg actieve stof per ha. Prei wordt voornamelijk behandeld met fungiciden tegen roest en bladvlekkenziekten (papier- en purpervlekken). Door de open ruimte tussen de rijen prei is het onderdrukken van onkruid met herbiciden een voortdurend aandachtspunt. Insecticiden worden ingezet tegen trips, preimot, preivlieg, enz. Het gebruik van insecticiden is na 2019 sterk afgenomen. Mogelijk komt dat door het telen van minder tripsgevoelige rassen. Het aandeel van producten toegelaten in de biologische landbouw is beperkt (6%), maar de biologische insecticiden winnen terrein. 

Voor bloemkool in openlucht komt het totale gebruik op 3,5 kg actieve stof per ha. Bloemkool ondervindt veel schade van de volgende insecten: koolvlieg, koolmot, andere rupsen, bladluizen, enz. De schimmelziekten die bestreden moeten worden, zijn: valse meeldauw, spikkelziekte, witte roest, enz. Onder de groep andere valt o.a. de slakkenbestrijding. Het aandeel van producten toegelaten in de biologische landbouw stijgt in 2024 naar 9%, het zijn biologische insecticiden (4%) en andere (5%). Ten opzichte van 2014 worden er in totaal veel minder insecticiden ingezet, maar wel meer fungiciden. 

Voor tomaten beschut zakt het totale gebruik verder naar 17 kg actieve stof per ha. Tomaten zijn erg gevoelig voor de aardappelziekte, maar ook meeldauw en botrytis kunnen schade toebrengen. Vandaar het hoge fungicidegebruik (13 kg AS/ha, waarvan 4 kg AS/ha toegelaten in de biologische landbouw). Hierbij dient rekening te worden gehouden met het feit dat tomaten 10 maanden lang wekelijks worden geoogst. De voornaamste plagen zijn: mineervlieg, luis, rups, witte vlieg, spint. Virusziektes, waaronder het vrij recent opgedoken pepinomozaïekvirus, zijn niet altijd te behandelen met viruspreparaten. Daarom blijven genetisch gezond uitgangsmateriaal en hygiëne belangrijk. Het aandeel van producten toegelaten in de biologische landbouw is sinds 2017 sterk toegenomen en komt in 2024 op 30% of 5 kg actieve stof per ha. 

Voor peren komt het gemiddelde gebruik op 69 kg actieve stof per ha. In 2014 was dit 65 kg AS/ha. Iets meer dan de helft zijn fungiciden (36 kg AS/ha) tegen schurft, echte meeldauw en vruchtrot. Fungiciden toegelaten in de biologische landbouw zijn een gevestigde waarde (10 kg AS/ha). De groeiregulatoren en de afweermiddelen tegen perenbladvlo vallen onder de toepassingsgroep andere (22 kg AS/ha). Het gebruik van andere producten toegelaten in de biologische landbouw steeg van 3 kg in 2014 naar 20,5 kg actieve stof per ha in 2024. Deze stijging kan grotendeels verklaard worden door de toename van het product Surround WP Crop Protectant, een kaoline klei die de ei-afleg van de perenbladvlo in het begin van het seizoen voorkomt door de gehele boom te bedekken. Er is dus een grote hoeveelheid product nodig en het bevat per kg product 950 g aluminiumsilicaat. De insecticiden (8 kg AS/ha) zijn tegen fruitmot, bladluis, fruitspintmijt en roestmijten. Deze plagen worden met bijna uitsluitend met producten toegelaten in de biologische landbouw bestreden. Het gebruik van feromoonverwarring en andere geïntegreerde gewasbeschermingstechnieken zijn een succes. De herbiciden (3 kg AS/ha) worden gebruikt om de voet van de fruitbomen onkruidvrij te houden. In 2014 was dit nog 5 kg actieve stof per ha, wat er mogelijk op wijst dat er meer mechanische onkruidbestrijding wordt ingezet. 

Appelen worden minder behandeld dan peren, namelijk 42 kg actieve stof per ha. In 2014 was dit 36 kg AS/ha. Het zijn hoofdzakelijk fungiciden (33 kg AS/ha, waarvan 10 kg AS/ha toegelaten in de biologische landbouw). Door de stijgende druk van plagen, steeg het gebruik van insecticiden van 1 kg actieve stof per ha in 2014 naar 6 kg actieve stof per ha in 2024. Deze worden grotendeels met producten toegelaten in de biologische landbouw bestreden.

Areaal verzamelaanvraag

In 2024 bedraagt het unieke referentie areaal in hoofdteelt op basis van de verzamelaanvraag 595.431 hectare. Omdat er ook gewasbescherming wordt gebruikt op voor- en nateelten, worden de 145.908 hectare meegenomen. Het gaat om grasland in voorteelt (52.991 ha), groenbedekkers in nateelt (91.087 ha) en een beperkt aantal hectare groenten in openlucht in nateelt. Opgeteld komt het totale landbouwareaal zo uit op 741.339 hectare. In vergelijking met 2023 is dat een daling van 4%. Door de uitzonderlijk natte omstandigheden bleven meer percelen dan anders braak liggen. Van het totale areaal is 80% in gebruik als hoofdteelt.

In 2024 nemen volgende teelten het grootste aandeel in: grasland en grasklaver (37%, waarvan 30% in hoofdteelt), maïs (23%, waarvan 16% voedermaïs), groenbedekkers (12%), graangewassen (8%, waarvan 5% wintertarwe) en aardappelen (8%, waarvan 7% bewaaraardappelen).

De toename van het totale landbouwareaal in de periode 2014–2024 (+9%) is voornamelijk toe te schrijven aan de sterke groei van de groenbedekkers, waarvan het areaal sinds 2014 meer dan verdubbeld is. De grootste uitbreiding vond plaats in 2015, toen in het Mestactieplan (MAP 5) de verplichting werd ingevoerd om na de oogst van de hoofdteelt een vanggewas in te zaaien om nutriëntenuitspoeling te beperken. In 2019 kwamen daar via MAP 6 bijkomende maatregelen bij om het areaal vanggewassen jaarlijks verder te vergroten. Ondanks deze stimulansen daalt het areaal groenbedekkers inmiddels al twee jaar op rij. Ook andere teelten evolueerden sterk sinds 2014. Het areaal bewaaraardappelen nam toe met 42%. In de fruitsector schakelden veel telers over van appelen (-36%) naar peren (+16%). Daarnaast wordt er minder maïs geteeld (-5%). Ten opzichte van 2023 valt vooral de sterke daling in wintertarwe op (-43%), grotendeels het gevolg van de uitzonderlijk natte inzaaiomstandigheden.

De landbouwsector is sterk afhankelijk van gunstige weersomstandigheden. Door de aanhoudende regen vanaf het najaar van 2023 waren veel akkers te nat om tijdig wintergewassen zoals wintergranen in te zaaien. Wanneer de inzaai mislukte, moesten landbouwers noodgedwongen overschakelen op zomergewassen. Ook het voorjaar van 2024 verliep uitzonderlijk nat. Als gevolg daarvan bleef in 2024 meer land dan gebruikelijk braak liggen. Het braakareaal steeg van 628 hectare in 2022 naar 1.220 hectare in 2023 en 1.281 hectare in 2024. De uitzonderlijk natte omstandigheden leidden bovendien tot een grotere kans op uitspoeling van nutriënten (waarbij stikstof sneller uitspoelt dan fosfor of kalium) en een verhoogd risico op ziektes en plagen. Ze bemoeilijkten ook de oogstwerkzaamheden. Dat had in veel gevallen een lagere opbrengst tot gevolg.