Gewasbescherming: gebruik
Kruimelpad
De meeste middelen in 2024 komen terecht op de gewassen fruitteelt openlucht (33%) en aardappelen (31%). De verdeling over de toepassingsgroepen is als volgt: 32% herbiciden, 8% insecticiden, 42% fungiciden en 19% andere. In totaal is 24% van de actieve stoffen afkomstig van producten toegelaten in de biologische landbouw. In 2023 was dat 20% en in 2014 maar 9%. In de fruitteelt en bij pootgoedaardappelen zijn ze al goed ingeburgerd. Deze producten worden ook door de gangbare landbouw gebruikt.
Landbouwers gebruiken gewasbeschermingsmiddelen om hun oogst veilig te stellen, rekening houdend met de eisen van voedselveiligheid. Het gebruik is echter niet zonder risico’s voor de omgeving en de gezondheid van de mens en andere niet-doelorganismen, zeker bij een onoordeelkundig gebruik. De aangewende hoeveelheid gewasbescherming wordt beïnvloed door het teeltareaal, de wetgeving, de weersomstandigheden, technologie (gewasbeschermingsmiddelen en machines), kwaliteit van het bodemleven, management, enz. Zo verhogen warme en natte weersomstandigheden het risico op ziektes en plagen. Maar ook gewas-stress door droogte, hitte, wind en andere extreme factoren leidt tot verzwakte planten die gevoeliger zijn voor aantastingen en opbrengstverlies.
Het Landbouwmonitoringsnetwerk (LMN) bevat cijfermateriaal over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Het totale gewasbeschermingsmiddelengebruik door de Vlaamse land- en tuinbouw wordt berekend via een extrapolatie van LMN naar Vlaamse landbouw. Hieronder worden achtereenvolgens besproken: het totale gebruik, het gebruik per gewasgroep, per toepassingsgroep, opgedeeld volgens al dan niet toegelaten in de biologische landbouw en het gebruik per deelsector. Tot slot wordt nog een overzicht gegeven van het areaal in de Verzamelaanvraag, dat gebruikt werd bij de extrapolatie.
Het gewasbeschermingsmiddelengebruik per gewasgroep is te vinden bij de indicator Gewasbescherming: kengetallen. Een bespreking van het risico op menselijke gezondheid en milieu wordt toegelicht in de indicator Gewasbescherming: risico.
Totaal gebruik
Het totale geschatte gebruik van gewasbeschermingsmiddelen door de Vlaamse land- en tuinbouw komt in 2024 op 2,6 miljoen kg actieve stof. Ten opzichte van het jaar ervoor is het gebruik met 4% gedaald. Het gebruik ligt 10% lager dan in 2014.
Gebruik per gewasgroep
In 2024 komt 33% van de kg actieve stof terecht op fruitteelt openlucht, waarvan 25% op peren en 6% op appelen (zie detailcijfers na export van de figuur). Iets minder gewasbeschermingsmiddelen komen er op aardappelen (31%), waarvan 26% op bewaaraardappelen. Dan volgen maïs (9%, waarvan 6% op voedermaïs), groenten openlucht (7%), bieten (6%) en graangewassen (5%, waarvan 4% op wintertarwe). Sierteelt openlucht is nog goed voor 3%.
De verdeling over de gewasgroepen is vrij stabiel over de jaren heen. Het gebruik hangt af van het areaal, de gevoeligheid aan ziektes en weersomstandigheden. Het aandeel gewasbescherming op graangewassen is ten opzichte van 2023 met 35% gedaald omdat er door natte weersomstandigheden minder wintergranen zijn ingezaaid. Een uitgebreide bespreking van het gebruik per gewasgroep is te vinden bij de indicator Gewasbescherming: kengetallen.
Gebruik per toepassingsgroep
We onderscheiden vier toepassingsgroepen: herbiciden, insecticiden, fungiciden en andere. Tot de laatste groep behoren o.a. groeiregulatoren, bodemontsmetting, afweermiddelen (o.a. slakken) en bewaarmiddelen. We maken ook een onderscheid tussen gewasbeschermingsmiddelen toegelaten in de biologische landbouw en de andere gewasbeschermingsmiddelen. De producten toegelaten in de biologische landbouw mogen ook in de gangbare landbouw gebruikt worden. Daarom zeggen de hier vermelde cijfers dus niets over het gebruik van deze middelen in de biologische landbouw. Er zijn geen herbiciden toegelaten in de biologische landbouw.
In 2024 geldt volgende verdeling van de actieve stoffen: 42% fungiciden (waarvan 7% afkomstig van producten toegelaten in de biologische landbouw), 32% herbiciden, 8% insecticiden (waarvan 6% afkomstig van producten toegelaten in de biologische landbouw) en 19% andere (waarvan 11% afkomstig van producten toegelaten in de biologische landbouw).
In totaal zijn 24% van de actieve stoffen afkomstig van producten toegelaten in de biologische landbouw. In 2023 was dat 20% en in 2014 maar 9%. Het zijn voornamelijk de andere biologische gewasbeschermingsmiddelen die in opmars zijn (+908% ten opzichte van 2014), in mindere mate de biologische insecticiden (+55%) en de biologische fungiciden (+36%).
Gebruik per gewasgroep en toepassingsgroep
In onderstaande figuur geeft de oppervlakte het aandeel kg actieve stof weer ten opzichte van het totale gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. De grootste aandelen staan links-boven en de kleinste aandelen rechts-onder. Meer informatie over ziektes en plagen is te vinden bij de kengetallen.
In 2024 zien we binnen fruitteelt openlucht volgende verdeling: 59% fungiciden (waarvan 18% afkomstig van producten toegelaten in de biologische landbouw), 25% andere (waarvan 23% afkomstig van producten toegelaten in de biologische landbouw), 11% insecticiden (waarvan 10% afkomstig van producten toegelaten in de biologische landbouw) en 5% herbiciden. In totaal zijn 51% van de actieve stoffen afkomstig van producten toegelaten in de biologische landbouw. In 2014 was dat nog maar 23%. Bij de peren laagstam openlucht stijgt het aandeel actieve stoffen afkomstig van producten toegelaten in de biologische landbouw van 28% in 2014 naar 55% in 2024 (zie detailcijfers na export van de figuur).
In 2024 zien we binnen aardappelen volgende verdeling: 50% fungiciden (waarvan 0,1% afkomstig van producten toegelaten in de biologische landbouw), 28% herbiciden, 12% andere (waarvan 3% afkomstig van producten toegelaten in de biologische landbouw) en 10% insecticiden (waarvan 8% afkomstig van producten toegelaten in de biologische landbouw). In totaal zijn 12% van de actieve stoffen afkomstig van producten toegelaten in de biologische landbouw. In 2014 was dat 6%. Deze producten toegelaten in de biologische landbouw worden vooral in de teelt van pootaardappelen ingezet. Het aandeel stijgt van 67% in 2014 naar 73% in 2024.
In 2024 zien we binnen de graangewassen volgende verdeling: 36% herbiciden, 36% anderen (waarvan 6% afkomstig van producten toegelaten in de biologische landbouw), 28% fungiciden (waarvan 2% afkomstig van producten toegelaten in de biologische landbouw) en 1% insecticiden. In 2019 gebruikten de LMN-deelnemers in de graanteelt voor het eerst producten toegelaten in de biologische landbouw (1%). In 2024 loopt dat aandeel op tot 8%. Deze producten toegelaten in de biologische landbouw worden vooral op wintertarwe ingezet.
Maïs wordt hoofdzakelijk met herbiciden (95%) behandeld.
Gebruik per deelsector
In 2024 wordt het grootste aandeel actieve stof gebruikt op de gespecialiseerde fruitbedrijven (30%) en de gespecialiseerde akkerbouwbedrijven (24%). Niet verwonderlijk omdat 88% van het areaal fruitteelt openlucht op gespecialiseerde fruitbedrijven wordt gekweekt. Het areaal aardappelen bevindt zich voor 43% op gespecialiseerde akkerbouwbedrijven en 32% op overige landbouwbedrijven. Dan volgen de deelsectoren overige landbouwbedrijven (20%), melkveesector (9%) en varkenssector (4%). Het aandeel van de deelsectoren is relatief stabiel over de jaren heen.
Areaal verzamelaanvraag de jaarlijkse aangifte die een grondgebruiker moet doen van zijn gebruikspercelen. De verzamelaanvraag (VA) vormt een belangrijke basis voor verschillende steunaanvragen voor landbouwers, maar is ook een essentieel onderdeel binnen de mestwetgeving. Meer info
In 2024 bedraagt het unieke referentieareaal in hoofdteelt op basis van de verzamelaanvraag 595.431 hectare. Omdat er ook gewasbescherming wordt gebruikt op voor- en nateelten, worden de 145.908 hectare meegenomen. Het gaat om grasland in voorteelt (52.991 ha), groenbedekkers in nateelt (91.087 ha) en een beperkt aantal hectare groenten in openlucht in nateelt. Opgeteld komt het totale landbouwareaal zo uit op 741.339 hectare. In vergelijking met 2023 is dit een daling van 4%. Door de uitzonderlijk natte omstandigheden bleven meer percelen dan anders braak liggen. Van het totale areaal is 80% in gebruik als hoofdteelt.
In 2024 nemen volgende teelten het grootste aandeel in: grasland en grasklaver (37%, waarvan 30% in hoofdteelt), maïs (23%, waarvan 16% voedermaïs), groenbedekkers (12%), graangewassen (8%, waarvan 5% wintertarwe) en aardappelen (8%, waarvan 7% bewaaraardappelen).
De toename van het totale landbouwareaal in de periode 2014–2024 (+9%) is voornamelijk toe te schrijven aan de sterke groei van de groenbedekkers, waarvan het areaal sinds 2014 meer dan verdubbeld is. De grootste uitbreiding vond plaats in 2015, toen in het Mestactieplan (MAP 5) de verplichting werd ingevoerd om na de oogst van de hoofdteelt een vanggewas in te zaaien om nutriëntenuitspoeling te beperken. In 2019 kwamen daar via MAP 6 bijkomende maatregelen bij om het areaal vanggewassen jaarlijks verder te vergroten. Ondanks deze stimulansen daalt het areaal groenbedekkers inmiddels al twee jaar op rij. Ook andere teelten evolueerden sterk sinds 2014. Het areaal bewaaraardappelen nam toe met 42%. In de fruitsector schakelden veel telers over van appelen (-36%) naar peren (+16%). Daarnaast wordt er minder maïs geteeld (-5%). Ten opzichte van 2023 valt vooral de sterke daling in wintertarwe op (-43%), grotendeels het gevolg van de uitzonderlijk natte inzaaiomstandigheden.
De landbouwsector is sterk afhankelijk van gunstige weersomstandigheden. Door de aanhoudende regen vanaf het najaar van 2023 waren veel akkers te nat om tijdig wintergewassen zoals wintergranen in te zaaien. Wanneer de inzaai mislukte, moesten landbouwers noodgedwongen overschakelen op zomergewassen. Ook het voorjaar van 2024 verliep uitzonderlijk nat. Als gevolg daarvan bleef in 2024 meer land dan gebruikelijk braak liggen. Het braakareaal steeg van 628 hectare in 2022 naar 1.220 hectare in 2023 en 1.281 hectare in 2024. De uitzonderlijk natte omstandigheden leidden bovendien tot een grotere kans op uitspoeling van nutriënten (waarbij stikstof sneller uitspoelt dan fosfor of kalium) en een verhoogd risico op ziektes en plagen. Ze bemoeilijkten ook de oogstwerkzaamheden. Dat had in veel gevallen een lagere opbrengst tot gevolg. Gegevens van het KMI die deze situatie onderbouwen, kunnen worden geraadpleegd rechtstreeks bij het KMI.