GLB: (11) Agromilieuklimaatmaatregelen, ecoregelingen en steun voor bio
Kruimelpad
Voor meer uitleg over de verschillende GLB-indicatoren verwijzen we naar de wegwijsindicator.
Kernboodschappen
- In 2024 hebben 5.457 landbouwers 19,0 miljoen euro aan agromilieuklimaatmaatregelen (AMKM) ontvangen. Dat betekent 3.486 euro per landbouwer. Binnen de AMKM zijn er maatregelen onder beheer van het Agentschap Landbouw en Zeevisserij, maar er zijn er ook onder beheer van de Vlaamse Landmaatschappij, beter bekend onder de naam beheerovereenkomsten. Het grootste bedrag aan AMKM gaat naar de akkerbouw met een aandeel van 31,8% in 2024. 21,5% gaat naar landbouwers van 40 jaar of jonger.
- In 2023 is er onder de rechtstreekse betalingen onder pijler 1 een nieuw instrument bijgekomen: de ecoregelingen. Ecoregelingen leunen thematisch aan bij de AMKM, maar zijn eenjarige in plaats van meerjarige verbintenissen. In totaal hebben 12.930 unieke landbouwers voor 58,7 miljoen euro aan ecoregelingen ontvangen. Dat betekent gemiddeld 4.540 euro per landbouwer. Ten opzichte van 2023 is er een stijging van het budget voor ecoregelingen met maar liefst 45%. Het grootste deel, met name 28,2%, gaat naar akkerbouw. Melkvee (19,1%), vleesvee (14,6%) en gemengde bedrijven met gewassen en veeteelt (11,9%) volgen op afstand. Het grootste deel van de betalingen, ruim een kwart, gaat naar landbouwers van 40 jaar en jonger.
- De steun voor bio is naargelang de GLB-periode al of niet een AMKM van het Agentschap Landbouw en Zeevisserij. Vanaf 2023 valt de bio-voortzettingssteun onder de ecoregelingen en de bio-omschakelingspremie onder de AMKM. In 2024 ontvangen 512 bio landbouwers 1,86 miljoen euro aan biosteun of gemiddeld 3.623 euro per landbouwer. De steun voor bio gaat vooral naar bedrijven met groenten in openlucht en fruit, gevolgd door melkvee, akkerbouw en gemengde bedrijven akkerbouw-tuinbouw. Het grootste deel, ongeveer 35%, gaat naar jonge landbouwers tot en met 40 jaar.
Agromilieuklimaatmaatregelen (AMKM)
De AMKM-betalingen liggen tussen 16 en 26,5 miljoen euro in 2010-2024. Er is een dip in 2016 en die markeert met 15,0 miljoen euro het dieptepunt. Na 2016 is er een sterke toename en bereiken de AMKM een plafond van ongeveer 26 miljoen euro in 2020-2022. Algemeen is het budget AMKM hoger voor de GLB-periode 2015-2022 dan daarvoor. In 2023, met de invoering van de nieuwe GLB-maatregelen, is er een daling van de betalingen voor AMKM naar 21,3 miljoen euro. In 2024 zet de daling zich verder tot 19,0 miljoen euro. Het dieptepunt in 2016 heeft er eveneens mee te maken dat in de overgang tussen twee GLB-periodes een aantal maatregelen van de vorige periode uitdoven en de nieuwe maatregelen, die pas in februari van 2015 goedgekeurd zijn, nog minder bekend zijn en pas na een aantal jaar op kruissnelheid komen. Dat kan eveneens deels meespelen in 2023 met de invoering van een nieuw GLB, dat pas eind 2022 definitief goedgekeurd is.
Het aantal landbouwers met een AMKM is initieel in dalende lijn met als dieptepunt ongeveer 5.100 landbouwers in 2016-2018. Daarna neemt het aantal landbouwers weer wat toe. Het bedrag aan AMKM per landbouwer neemt vooral na 2014 geleidelijk toe tot een maximum van 4.633 euro per bedrijf in 2022. In 2023 en 2024 is er een sterke daling tot respectievelijk 3.791 en 3.486 euro per landbouwer als gevolg van een lager budget aan AMKM bij een min of meer gelijk aantal landbouwers.
Binnen de agromilieuklimaatmaatregelen zijn er maatregelen onder beheer van het Agentschap Landbouw en Zeevisserij, en zijn er onder beheer van de Vlaamse Landmaatschappij, beter bekend onder de naam beheerovereenkomsten (BO’s). Met de invoering van het nieuwe GLB in 2023 is er een strengere definitie van de actieve landbouwer. Die is enkel van toepassing op de maatregelen van het Agentschap Landbouw en Zeevisserij (met uitzondering van de maatregel genetische diversiteit) en voor ecoregelingen. Voor de maatregelen van de Vlaamse Landmaatschappij (VLM), de BO’s, is de doelgroep ruimer, maar die focussen op biodiversiteit en moeten geografisch binnen beheergebieden liggen. Ongeveer twee derde van de betalingen van AMKM gaat naar de BO’s, de AMKM-maatregelen van de VLM. De betalingen van de BO’s zitten in 2020-2022 met ruim 16 miljoen euro per jaar, net zoals voor het totaal van de AMKM, op een plafond. De AMKM van het Agentschap Landbouw en Zeevisserij nemen na 2014 eveneens toe en halen een plafond van ruim 9,5 miljoen euro in 2020-2021.
De daling van het budget voor AMKM in 2023 doet zich vooral voor bij de AMKM beheerd door het Agentschap Landbouw en Zeevisserij: ze zakken van 9,1 naar 6,6 miljoen euro. Dat is vooral een gevolg van een heroriëntatie van AMKM naar ecoregelingen, een nieuw instrument binnen de rechtstreekse betalingen. In 2024 stijgt het bedrag terug naar 7,2 miljoen euro. Voor de AMKM van het Agentschap Landbouw is er een toename van het aantal landbouwers die vooral een gevolg is van de nieuwe maatregel rond reductie van het antibioticagebruik. Het gaat hier om unieke aantallen landbouwers over alle AMKM-maatregelen heen. Een aantal landbouwers heeft meer dan één AMKM.
Voor de BO’s beheerd door de VLM treedt er in 2023 eveneens een daling op van 16,7 naar 14,7 miljoen euro. Tegelijk is er een daling van het aantal landbouwers met een BO bij de VLM. In 2024 daalt het bedrag voor de BO's verder tot 11,8 miljoen euro en daalt ook het aantal landbouwers verder. Het is af te wachten hoe dit evolueert de komende jaren.
De figuur hierna geeft een evolutie van het budget per maatregel voor 2010-2024. In 2015 start een nieuwe GLB-periode, maar voor de campagne 2015 tot 2017 zijn er, zij het steeds minder, nog betalingen voor contracten van de vorige GLB-periode gebeurd. Na 2015 is er een sterke afname van de bedragen voor de BO water als gevolg van veranderende modaliteiten voor nieuwe contracten. Na 2014 is er een zeer sterke toename van de betalingen voor de BO randenbeheer, de teelt van vlinderbloemigen, en de BO soortenbescherming. Die drie AMKM zijn met voorsprong de belangrijkste maatregelen op budgettair vlak. Met het nieuwe GLB in 2023 blijven de BO randenbeheer en de BO soortenbescherming budgettair gezien de belangrijkste maatregelen binnen de AMKM. In 2023 valt de maatregel teelt van vlinderbloemigen weg als AMKM. Die is vanaf dan, zij het onder sterk aangepaste modaliteiten, overgegaan in de ecoregeling eenjarige ecoteelten (zie hierna) en de AMKM meerjarige ecoteelten. Die laatste heeft in 2024 reeds een aandeel van 13,3%. Het budget voor BO randenbeheer daalt tussen 2022 en 2024 van 9,9 miljoen euro naar 5,6 miljoen euro. Sinds 2023 is er de nieuwe maatregel reductie antibioticagebruik. Die staat in 2024 in voor 8,6% van de betalingen van AMKM.
Qua aantal landbouwers heeft de BO kleine landschapselementen een belangrijk aandeel van net geen 15% voor de laatste jaren, vergelijkbaar met dat van de BO soortenbescherming. De BO randenbeheer staat op één met ongeveer 27%, wat iets lager ligt dan de jaren ervoor. Tot en met 2022 stond de teelt van vlinderbloemigen met ongeveer 25% op de tweede plaats. In 2024 heeft de maatregel teelt van meerjarige ecoteelten een aandeel van 22%.
Het grootste bedrag per landbouwer is met voorsprong voor de maatregel BO waterkwaliteit, zij het dat die uitdovend is, en de maatregel genetische diversiteit. Die laatste klokt af op ruim 11.000 euro per landbouwer in 2024. De BO kleine landschapselementen heeft een groot aandeel in het aantal landbouwers, maar een veel kleiner aandeel in de betalingen, waardoor het gemiddeld bedrag per landbouwer met ongeveer 875 euro voor de laatste jaren laag ligt ten opzichte van andere maatregelen. Het gemiddelde bedrag per landbouwer voor de BO soortenbescherming neemt geleidelijk toe doorheen de jaren tot meer dan 4.750 euro in 2024. De maatregel verwarringstechniek in de fruitteelt (uitdovend) zit onder de 4.000 euro per landbouwer en de BO randenbeheer komt uit op bijna 3.400 euro per landbouwer in 2024. De teelt van vlinderbloemigen zit in 2022, het laatste jaar van de maatregel, eveneens rond die 3.500 euro per landbouwer. In 2023 noteren de maatregelen reductie antibioticagebruik, BO botanisch beheer, en teelt vezelvlas met verminderde bemesting rond 2.000 à 2.600 euro per landbouwer. De maatregelen BO erosiebestrijding, tijdelijk naar blijvend grasland en onderhoud van boslandbouwsystemen (agroforestry) zitten het laagst en schommelen rond 300 à 900 euro per landbouwer in 2024.
Ecoregelingen
In 2023 is een nieuw instrument “ecoregelingen” ingevoerd als onderdeel van de rechtstreekse betalingen. Die leunen aan bij de AMKM en zijn in hoofdzaak eenjarige verbintenissen, terwijl AMKM meerjarige verbintenissen zijn. De AMKM mechanische onkruidbestrijding is met veranderende modaliteiten een ecoregeling geworden. De teelt van vlinderbloemigen als AMKM vervalt en in de plaats is er, zij het met sterke aanpassingen in de modaliteiten, een eenjarige ecoregeling ecoteelten (eenjarige eiwitteelten) en een meerjarige AMKM ecoteelten (meerjarige eiwitteelten) voorzien. Naast de eiwitteelten zijn er nog andere teelten mogelijk onder de ecoregeling eenjarige ecoteelten en de AMKM meerjarige ecoteelten. In 2024 hebben in totaal 12.930 unieke landbouwers voor 58,7 miljoen euro aan rechtstreekse betalingen voor ecoregelingen ontvangen wat overeenkomt met gemiddeld 4.540 euro per landbouwer. Ten opzichte van 2023 is er een sterke toename met maar liefst 45% van het bedrag besteed aan ecoregelingen.
In 2024 gaat het grootste bedrag naar de ecoteelten met een aandeel van bijna 36%, gevolgd door meerjarig grasland met ruim 16%, de ecoregeling organisch koolstofgehalte met ruim 15% en ecologisch beheerd grasland met een aandeel van bijna 11%. Een belangrijke groep landbouwers voert meer dan één ecoregeling uit. Het totaal aantal landbouwers per ecoregeling opgeteld bedraagt 34.369 ten opzichte van 12.930 unieke landbouwers die één of meerdere ecoregelingen uitvoeren, wat gemiddeld overeenkomt met 2,7 ecoregelingen per landbouwer.
Het gemiddeld bedrag per landbouwer ligt in 2024 het hoogst voor voedermanagement (6.081 euro), gevolgd door ecoteelten (4.021 euro), mechanische onkruidbestrijding (2.763 euro) en bio (2.282 euro). De ecoregelingen bufferstroken en bodempaspoort noteren het laagst met gemiddeld respectievelijk 394 euro en 471 euro per landbouwer.
Bio
De steun voor bio is naargelang de GLB-periode al of niet een AMKM van het Agentschap Landbouw en Zeevisserij. In 2010-2014 is er een hectaresteun voor bio die valt onder de AMKM. Voor 2015-2022 zijn er twee maatregelen die buiten het AMKM-kader vallen: een voortzettingssteun bio en een omschakelingspremie bio. Vanaf 2023 valt de voortzettingssteun onder de ecoregelingen van Pijler 1 en wordt de omschakelingspremie ingedeeld onder AMKM-landbouw. De lopende contracten voor de voortzettingssteun blijven uitbetaald worden onder de oude regeling.
De geaggregeerde steun voor bio zit in stijgende lijn tussen 2010 en 2014 tot 1,05 miljoen euro. Er is een dip in 2015 met invoering van de nieuwe maatregel voor de GLB-periode 2015-2022, waarna het vervolgens opnieuw toeneemt tot een maximum van 1,94 miljoen euro in 2022. In 2023 is er een daling tot 1,73 miljoen euro, maar in 2024 neemt het opnieuw toe tot 1,86 miljoen euro. Met het nieuwe GLB vanaf 2023 mogen biobedrijven de ecoregeling voortzetting bio combineren met andere ecoregelingen om het verlies aan biosteun te compenseren. Dit is niet meegenomen in de analyse. Het aantal landbouwers met een biosteun neemt continu toe tot 553 landbouwers in 2022. In 2023 is er een daling naar 516 landbouwers, een gevolg van de nieuwe definitie van actieve landbouwer. In 2024 neemt het aantal landbouwers licht af tot 512. Het bedrag per landbouwer fluctueert de laatste jaren rond de 3.500 euro met een tijdelijke dip in 2019. In 2024 bedraagt het gemiddelde bedrag voor bio 3.623 euro.
AMKM naargelang typologie, leeftijd en provincie periode 2015-2024
Het grootste bedrag aan AMKM gaat naar de akkerbouw met een aandeel van 31,8% in 2024. Met de invoering van het nieuwe GLB in 2023 was er een sterke achteruitgang van het aandeel voor melkvee van 22,8% in 2022 naar 15% in 2023. Maar in 2024 neemt het terug toe tot 18,8%. Bedrijven met gewassen en veeteelt klokken af op 8,7%. Het aandeel van vleesvee neemt toe tot 8,4%. Varkens en pluimvee volgen met een gezamenlijk aandeel in 2024 van 8,0% en groenten en fruit in openlucht met 7,6%.
Er is een groot verschil tussen de AMKM van het Agentschap Landbouw en Zeevisserij en de AMKM of beheerovereenkomsten van de Vlaamse Landmaatschappij (VLM). In 2024 gaat bijna 49% van de BO’s naar de akkerbouw en, op verre afstand, 10,7% naar bedrijven met gewassen en veeteelt.
Bij de AMKM van het Agentschap Landbouw is er een verandering met de invoering van het nieuwe GLB. In 2022 gaat nog 52% naar melkvee en 14% naar groenten openlucht en fruit. Het aandeel van groenten openlucht en fruit is sterk gedaald over de periode 2015-2022 door het uitdoven van de maatregel verwarringstechniek in de fruitteelt. Dat van melkvee daarentegen nam sterk toe door de maatregel teelt van vlinderbloemigen, de belangrijkste AMKM beheerd door het Agentschap Landbouw in die periode. In 2024 heeft melkvee nog steeds het grootste aandeel, maar is er een sterke daling ten opzichte van 2022 van 52% naar 36,7% door het wegvallen van de maatregel teelt van vlinderbloemigen. Het aandeel van groenten openlucht en fruit neemt toe tot 16,1%, wat mee verklaard kan worden doordat bio opnieuw onder AMKM gecategoriseerd wordt. Door de introductie van de maatregel reductie antibioticagebruik neemt het aandeel van varkens-pluimvee sterk toe tot 13,5%.
In 2024 ging 21,5% van de AMKM naar jonge landbouwers onder de 40 jaar. Het gaat hier om het totaal van de AMKM van het Agentschap Landbouw en Zeevisserij en de BO’s van de Vlaamse Landmaatschappij. Het bedrag dat naar landbouwers ouder dan 55 jaar gaat, nam continu toe over de periode 2015-2024. In 2024 is ongeveer 44% voor landbouwers ouder dan 55 jaar en 15,3% is voor de landbouwers van 65 jaar en ouder. Voor die laatste was dat tot en met 2018 nog ongeveer 9,6%. Erna is er een stijging en vooral in 2023 is er een toename.
Ook hier is er een groot verschil tussen de AMKM van het Agentschap Landbouw en de BO’s van de VLM. Het grootste deel van de AMKM van landbouw gaat naar jonge landbouwers, met name bijna 30% in 2024. Dit is wel een lichte achteruitgang ten opzichte van de jaren ervoor. Het aandeel van de midden categorieën 41-50 jaar is sterk gedaald over de periode 2015-2024. Dat van de oudere leeftijdscategorieën, vooral de groep 56-60 jaar daarentegen nam toe. Het aandeel 65-plussers is eerder beperkt, zij het dat het in 2024 toeneemt tot 6,6%. Bij de BO’s van de VLM is het aandeel jonge landbouwers kleiner en vooral het aandeel dat naar oudere landbouwers gaat een stuk groter. Dat aandeel nam eveneens toe over de periode 2015-2024. In 2024 is ruim de helft van de betalingen van de BO’s bestemd voor landbouwers ouder dan 55 jaar waarvan een groot deel (20,8%) naar landbouwers ouder dan 65 jaar gaat.
West-Vlaanderen ontvangt 31,3% van de AMKM betalingen in 2024, gevolgd door Vlaams-Brabant met 22,8% en Limburg met 21,0%. Het aandeel van West-Vlaanderen is sterk toegenomen met de invoering van het nieuwe GLB in 2023, terwijl dat van Antwerpen sterk afnam. Ook hier is er een groot verschil tussen de BO’s van de VLM en de AMKM van het Agentschap Landbouw. Tot en met 2022 ging er een groot aandeel van de AMKM van het Agentschap Landbouw naar Antwerpen. In 2022 ging het om ongeveer 38%. In 2024 bedraagt dit nog 20,5%. De terugval is een gevolg van het verdwijnen van de AMKM vlinderbloemigen die in belangrijke mate naar melkveebedrijven in Antwerpen ging. De winst is bijna uitsluitend voor West-Vlaanderen dat stijgt van 16% in 2022 naar 30,6% in 2024. Wat betreft de BO’s van de VLM is het aandeel het grootst voor West-Vlaanderen (bijna 32%) gevolgd door Vlaams-Brabant (28,9%) en Limburg (24,0%). Dit heeft ook te maken met de ligging van de beheergebieden. Het aandeel dat naar Oost-Vlaanderen en naar Antwerpen gaat is beperkt. Vlaams-Brabant is hier relatief hoog door het grote belang van akkerbouw in die provincie.
Ecoregelingen naargelang bedrijfstype, leeftijd en opvolging 2023 - 2024
Het grootste deel van de betalingen van ecoregelingen, met name 28,2%, gaat naar akkerbouw in 2024. Melkvee (19,4%), vleesvee (14,6%) en gemengde bedrijven met gewassen en veeteelt (11,9%) volgen op afstand. Het aandeel in de bedrijven ligt in de buurt van het aandeel in het bedrag.
Het grootste deel van de betalingen in 2024 gaat naar landbouwers van 40 jaar en jonger. Die ontvangen ruim een kwart van de betalingen. Die maken echter maar 19% uit van het aantal landbouwers met een ecoregeling waardoor het gemiddeld bedrag per bedrijf hoogste is van alle leeftijdscategorieën (6.245 euro). Daartegenover zijn bijna 20% van de landbouwers met een ecoregeling 65 jaar of ouder maar vertegenwoordigen die slechts 13% van de betalingen en daarmee ligt het gemiddeld bedrag per landbouwer het laagste (3.022 euro).
West-Vlaanderen ontvangt in 2024 bijna 35% van de betalingen voor de ecoregelingen. Daarna volgen Oost-Vlaanderen met 21% en Vlaams-Brabant met 19%. Vlaams-Brabant ontvangt in verhouding veel betalingen. Het aandeel in het aantal landbouwers is met 13% een stuk lager, waardoor het bedrag per landbouwer gemiddeld het hoogst ligt van alle provincies (6.785 euro). In Oost-Vlaanderen is het omgekeerd, daar ligt het aandeel in de landbouwers hoger (25,8%), waardoor het gemiddeld bedrag per landbouwer het laagst uitkomt (3.755 euro).
Bio naargelang bedrijfstype, leeftijd en provincie 2015-2024
De steun voor bio gaat vooral naar bedrijven met groenten in openlucht en fruit, gevolgd door melkvee, akkerbouw en gemengde bedrijven met gewassen en veeteelt. Het grootste deel gaat naar landbouwers jonger dan of gelijk aan 40 jaar. Het aandeel van landbouwers tot en met 40 jaar nam toe tot maximaal 42% in 2019, waarna het vooral de laatste jaren daalt tot 35% in 2024. De aandelen van de verschillende provincies liggen niet ver uit elkaar. West-Vlaanderen ontvangt in 2024 het meeste met 22,8% maar dat is verhoudingsgewijs lager dan voor andere steunmaatregelen. Oost-Vlaanderen volgt met 22,7%. Vlaams-Brabant met 21,3% en Limburg met 15,4% ontvangen in verhouding tot andere steunmaatregelen veel biosteun.