De Vlaamse landbouw stoot in 2018 7,5 miljoen ton CO2-equivalenten uit binnen Vlaanderen. Dat is 10% van de totale Vlaamse broeikasgasemissie. De energetische broeikasgasemissies hebben in vergelijking met de andere sectoren een relatief beperkt aandeel (26% in 2018). De veestapel is de drijvende factor achter de niet-energetische emissies uit de landbouw. Ze zijn afkomstig van verteringsprocessen (CH4) en mestopslag (CH4 en N2O). 

De Vlaamse landbouw stoot in 2018 7,5 miljoen ton of megaton (Mton) CO2-equivalenten uit binnen Vlaanderen. Dat is 10% van de totale Vlaamse broeikasgasemissie en 16% van de emissies die niet onder het emissiehandelssysteem vallen. De broeikasgasuitstoot van de landbouw ligt in 2018 18% lager dan in 1990. Alle andere sectoren samen behalen in dezelfde periode slechts een vermindering van 9%. De daling in landbouwbroeikasgasemissies gebeurde tussen 1990 en 2008 van 9,1 naar 6,8 Mton CO2-equivalenten. Tussen 2009 en 2014 was er een stagnering rond 7 Mton CO2- equivalenten. Ten opzichte van 2014 is er een toename met 7% in 2018. Dat betekent een stijging in 2018 met 0,2 Mton tegenover 2005. De toename vanaf 2015 is voornamelijk toe te schrijven aan een stijging in de emissie van CH4 in de rundveehouderij en van CO2 in de glastuinbouw. 

De broeikasgasemissies van landbouw bestaan uit energetische emissies (CO2) en niet-energetische emissies (lachgas of N2O en methaan of CH4). De energetische broeikasgasemissies hebben in vergelijking met de andere sectoren een relatief beperkt aandeel (26% in 2018). Deze emissies vertoonden een dalende trend in de periode 1990-2008, dankzij inspanningen gericht op rationeel energiegebruik en de aanwending van minder koolstofintensieve brandstoffen in de glastuinbouw. Hierbij is er een brandstofswitch gerealiseerd van petroleumproducten zoals (zware) stookolie naar aardgas en biomassa. Deze CO2-emissies schommelen in de periode 2008-2018 gemiddeld rond 24%. Variaties in de temperatuur verklaren deels de schommelingen in de energetische broeikasgasemissies door respectievelijk andere verwarmings- en koelingsbehoeften. Daarnaast is sinds 2008 het aardgasverbruik versneld gestegen door het toenemend aantal WKK-eenheden in de glastuinbouwsector. De emissies gekoppeld aan deze netto-elektriciteitsproductie worden in de klimaatboekhouding toegeschreven aan de landbouwsector en niet aan de elektriciteits- en warmtesector; ook al wordt die elektriciteit buiten de landbouwsector benut.

De veestapel is de drijvende factor achter de niet-energetische emissies uit de landbouw. Ze zijn afkomstig van verteringsprocessen (CH4) en mestopslag (CH4 en N2O). De vermelde daling van broeikasgasuitstoot door de landbouwsector tussen 1990 en 2008 was onder meer het gevolg van het mestbeleid, veranderd mestmanagement en een krimpende veestapel (als gevolg van onder andere opkoopregelingen, dioxinecrisis, conjunctuur). Vanaf 2008 steeg de veestapel opnieuw door de uitbreidingsmogelijkheden in het mestbeleid en veranderde de samenstelling van de rundveestapel door de afschaffing van de melkquota in 2015. De verdere reductie van methaan en lachgas, samen 74% van de landbouwbroeikasgasemissies in 2018, blijft een grote uitdaging voor de Vlaamse landbouw. 

Onderstaande figuur geeft de broeikasgassen weer voor enkele deelsectoren. De broeikasgasemissies die gerelateerd zijn aan de rundveehouderij zijn met 43% het grootst. De plantaardige sectoren nemen 38% voor hun rekening. De emissies van varkens- en pluimveehouderij zijn samen goed voor 17%. 

Omdat niet alle gebruikte databronnen dezelfde indeling van landbouwsectoren gebruiken, zijn de varkens- en pluimveesector samengevoegd in de figuur volgens deelsector tot de intensieve veeteelt. De nodige voorzichtigheid is te hanteren bij de cijfers omdat definities niet altijd helemaal identiek zijn.

Meer informatie is hier te vinden: