De totale aanvoer van de commerciële Belgische zeevisserij bedraagt in 2020 18.306 ton. De laatste drie jaar is de aanvoer telkens gedaald. Dat hangt samen met het beschikbare quotum en valt in 2020 bijkomend te verklaren door de stilligvergoeding die voor de visserijsector uitgewerkt werd in het kader van de COVID 19- crisis. 

De totale aanvoer van de commerciële Belgische zeevisserij bedraagt in 2020 18.306 ton. Dat is 5% minder dan in 2019. De laatste drie jaar is de aanvoer telkens gedaald. Enerzijds hangt dit samen met het beschikbare quotum. Anderzijds was 2020 een verstoord handelsjaar omwille van de gezondheidscrisis: een deel van de daling valt namelijk te verklaren door de stilligvergoeding die voor de visserijsector uitgewerkt werd in het kader van de COVID 19- crisis. De voorbije twintig jaar schommelde de totale aanvoer sterk, met een hoogtepunt in 2001 (27.000 ton) en een dieptepunt in 2009 (19.000 ton).

Binnenlandse havens nemen 70% van de aanvoer van de Belgische vissersvloot in. Zeebrugge is nummer één met een marktaandeel van 53% en een aanvoer van 6.764 ton. Oostende klokt af op 45% en 5.697 ton. Nieuwpoort is een kleinere speler met 335 ton. De Vlaamse Visveiling, een private onderneming, exploiteert de twee grote veilingen.

Buitenlandse havens vertegenwoordigen 30% van de aanvoer van de Belgische vissersvloot. De Nederlandse havens blijven de belangrijkste buitenlandse havens met een aandeel van 50,8% van de totale aanvoer in buitenlandse havens. Dat is een sterke daling in vergelijking met 2019, toen dit nog 93% was. In 2020 staat Denemarken in voor 33,2% van de aanvoer in buitenlandse havens. Dat is een rechtstreeks gevolg van het afdwingen van de weegplicht na aanlanding door Denemarken. Het aandeel aangevoerde vis in Frankrijk stijgt eveneens (naar 11,4%). De overige aanvoer in vreemde havens is toe te kennen aan Spanje en in beperkte mate ook Duitsland.

De Belgische visserij is een gemengde visserij en bevist dus meerdere bestanden tegelijk. De vloot is duidelijk gespecialiseerd in platvis. Schol (3.683 ton) en tong (2.711 ton) nemen in 2020 respectievelijk 20% en 15% van het aangevoerde visvolume voor hun rekening. Rog en inktvis volgen met een aandeel van respectievelijk 9% en 7%. In de top tien staan voorts ponen, wulk, scharretong, kabeljauw, tongschar en zeeduivel.

Bij de twee belangrijkste vissoorten ging schol er tegenover 2019 in absolute cijfers met 32% op achteruit, terwijl tong een groei van 16% kende. Bij pladijs is er al een sterk dalende trend sinds 2016, hoewel het bestand gunstig evolueert. De aanvoer van garnaal is opnieuw sterk gedaald en viel daardoor uit de top tien. Daarnaast verdwenen ook langoustines en haaien uit de top tien.

Een vergelijking met 2000 leert dat schol en tong twintig jaar geleden bijna 13.000 ton totaliseerden, tegenover nu een kleine 6.400 ton. De vangst van kabeljauw is er in die periode het sterkst op achteruitgegaan. Dat komt vooral door de dalende quota. Ook de kleinere vloot speelt een rol. 

Dit is een Vlaamse openbare statistiek: aanvoer en aanvoerwaarde vissersvloot.